Indicatiecriteria

Om toelaatbaar te zijn voor cluster 4, moet een leerling voldoen aan de onderstaande vijf criteria:      

Criterium 1. Er is sprake van een ernstige psychische stoornis dan wel een ontwikkelingspsychopathologie

Er moet sprake zijn van een ernstige psychische stoornis of een ontwikkelingspsychopathologie. In een verslag (niet ouder dan twee jaar!) moet een psychiater of GZ-psycholoog verklaren dat er sprake is van een emotionele stoornis of een gedrags- of ontwikkelingsstoornis. E.e.a. moet vastgesteld zijn volgens de DSM-IV of ICD-10.  Is deze diagnose niet gesteld, maar is er wel sprake van gedragsproblematiek die na een half jaar geïndiceerde jeugdhulpverlening niet merkbaar is verbeterd? Dan kan dit ook gebruikt worden. Let daarbij op de ondertekening van het verslag door een GZ-psycholoog of een kinder- en jeugdpsychiater.

 

Criterium 2: de stoornis is integraal

Het probleemgedrag doet zich niet alleen op school voor, maar ook thuis of in de vrije tijd. Dit kan blijken uit:

  • de aard van de stoornis (bijvoorbeeld autisme) of
  • de rapportage waarin de diagnose wordt gesteld of
  • actuele behandeling dan wel hulpverlening gericht op dat gedrag of
  • een specifiek onderzoeksverslag, bijvoorbeeld van een maatschappelijk werker

Criterium 3: er is sprake (geweest) van begeleiding of
jeugdhulpverlening

Er moet een rapport zijn over de hulpverlening of begeleiding die plaatsvindt, of heeft plaatsgevonden, in verband met het gedrag buiten de school (jeugd GGZ, jeugdhulpverlening, kinderpsychiatrische voorziening, jeugdbescherming). Er zijn situaties denkbaar waarin er (nog) geen sprake is van hulpverlening of begeleiding. In dat geval moet de reden daarvan worden omschreven (bijvoorbeeld: hulpverlening is wel geïndiceerd, maar er is een wachtlijst). Ook hierbij geldt dat er een handtekening onder het verslag moet staan.

Criterium 4: er is ten gevolge van het gedrag een onderwijsbelemmering

Een beperking in de onderwijsparticipatie moet blijken uit minimaal twee in dit onderdeel bedoelde subonderdelen:

  • Leerachterstanden in het basisonderwijs en bij instroom in de eerste klas van het voortgezet onderwijs, zodanig dat de prestaties van de leerling in vergelijking met de prestaties van leerlingen van de overeenkomstige didactische leeftijdsgroep behoren tot de 10 procent zwakst presterende leerlingen (Cito E-scores) op twee van de drie volgende terreinen: voor groep 1 en 2 voorbereidend lezen, spellen en rekenen; voor groep 3 tot en met 8 en bij de instroom in het voortgezet onderwijs rekenen, technisch lezen of spellen, en begrijpend lezen. De leerachterstanden zijn daarbij niet toe te schrijven aan een beperkt niveau van cognitief functioneren;
  • Ernstige tekortkomingen in verband met het gedrag op het gebied van het leer- en taakgedrag zoals werkhouding, taakgerichtheid, aandacht en motivatie;
  • Ernstige problemen in de interactie met het onderwijsgevend personeel;
  • Ernstig storend gedrag ten aanzien van het onderwijsleerproces van medeleerlingen; waarbij de genoemde problemen manifest zijn gedurende minimaal een jaar, zich niet beperken tot een bepaalde situatie en niet of nauwelijks beïnvloed worden door een op de problemen gerichte aanpak;
  • Extreem agressief gedrag of extreem impulsief gedrag, waarbij op basis van psychodiagnostisch onderzoek blijkt dat de leerling een gevaar voor zichzelf of voor anderen is of extreem fysiek of extreem verbaal agressief gedrag vertoont, waarbij dit gedrag zich niet beperkt tot een bepaalde situatie en niet of nauwelijks beïnvloed worden door een op de problemen gerichte aanpak.

Het onder 2, 3 en 4 genoemde moet blijken uit het onderwijskundig rapport én uit gegevens van een psychodiagnostisch onderzoek niet ouder dan één jaar. Het psychodiagnostisch onderzoek waaruit blijkt dat er sprake is van ontbrekende algemene voorwaarden met betrekking tot het leer- of werkgedrag mag verricht worden door een diagnostisch geschoolde orthopedagoog of psycholoog; een GZ-geregistreerde psycholoog is niet noodzakelijk. Dit onderzoek kan bestaan uit minimaal één testinstrument of vragenlijst, bijvoorbeeld de TRF, of een observatie in de klas. De diagnostische rapportage moet dus een heldere onderbouwing vormen van de ontbrekende voorwaarden voor leer- of werkgedrag zoals die in het onderwijskundig rapport beschreven worden. Voor meer informatie over testinstrumenten, zie onder downloads: 'psychodiagnostische onderbouwing’.

Criterium 5: er is sprake van een ontoereikende zorgstructuur

De school moet aantonen dat inspanningen gedurende minimaal een half jaar om het onderwijs aan te passen aan de handicap van de leerling onvoldoende effect hebben gehad. Zo moet de school in het onderwijskundig rapport (OKR) beschrijven welke zorg vanuit de school én het samenwerkingsverband is geboden en wat de effecten daarvan zijn. Het OKR dient door de ouders en directeur te worden ondertekend. Documenten ter onderbouwing van de ontoereikendheid van zorg in het reguliere onderwijs zijn bij voorkeur: 

  • een onderbouwde verklaring van een (bovenschoolse) zorgcommissie, bijvoorbeeld WSNS of het samenwerkingsverband Voortgezet Onderwijs
  • uitgevoerde en geëvalueerde handelingsplannen, die voorafgaande aan de indicatieaanvraag niet ouder dan een half jaar zijn
Contact

Als u ons nodig heeft

Steunpunt autisme

Vragen?

Vraag het aan Ingrid
Gz-psycholoog
nog 255 tekens
Versturen
Bellen
Concept en design: Reclamebureau DplusM.